Bij dieren stelt Zeising de bestialiteit van de natuur tegenover de proportionaliteit van de gecultiveerde mens. [br]In planten meet Zeising wel overal 'zijn' verhouding, alsof zij niet tot diezelfde natuur behoren . [br]Toch is Zeisings verhaal selectief. Heel gedetailleerd meet hij de plaatsing van takken en bladnerven en claimt hij de geldigheid van 'zijn' verhouding.[br]Over spiralen in zonnebloemen lees je echter geen woord, en dat is misschien geen toeval.
In een dennenboom herkent Zeising de gulden snede in de plaatsing van de takken.[br]Meet je zijn 'precies' naar de natuur getekende dennenboom zelf na, dan vind je volgende 'gelijkheden':[br][b]0.624 = 0.616, 0.559 = 0.64, 0.703 = 0.587, [br]0.685 = 0.593, 0.69 = 0.591, 0.647 = 0.707 en 0.607 = 0.622.[/b]
Gelijkaardig als bij de takken van een dennenboom 'vindt' Zeising de gulden verhouding [b]0.618[/b] in de bladnerven van de eik en klimop. [br]Ook hier mat ik de afstanden na en bekwam voor de Zeisings middelevenredigen volgende 'gelijkheden':[br][list][*]eik: [b]0.603 = 0.624[/b], [b]0.660 = 0.602[/b] en [b]0.710 = 0.585[/b].[/*][*]klimop: [b]0.667 = 0.6[/b], [b]0.75 = 0.571[/b], [b]0.625 = 0.615[/b] en [b]0.842 = 0.543[/b].[/*][/list]
Raap je echter zelf willekeurig eikenbladeren op of zoek je even online naar foto's, dan krijg je een heel ander beeld dan dat van nerven die steeds dichter bij elkaar komen volgens de gulden snede.[br]Op het groene blad vertrekken de nerven naar de lobben aan de linkerrand (zwart) en rechterrand (blauw) niet op dezelfde plaatsen. Zelfs als je enkel naar de blauwe of de zwarte punten kijkt, merk je geen kleiner wordende afstanden volgens de gulden snede naar het topje van het blad. Die vind je evenmin op het geelbruine blad rechts. [br][u]Tip[/u]: Ga zelf aan de slag, verzamel zelf bladeren en begin te meten.
Zelfs de knop van een roos en de kelk van de tulp 'voldoet' volgens Zeising aan zijn verhouding.[br]Meet je de de afstanden op de tekening, dan vind je:[br][list][*]knop van een roos: [b]0.576 = 0.635[/b] en [b]0.696 = 0.590[/b][/*][*]tulp: [b]0.680 = 0.595[/b] [/*][/list]
Alexander Braun en Karl Friedrich Schimper formuleerden in de jaren [b]1830 [/b]voor het eerst de wiskundige basis (de phyllotaxis-theorie) dat spiraalpatronen bij planten, waaronder dennenappels en zonnebloemen, opeenvolgende Fibonacci-getallen volgen.[br]In [b]1837 [/b]formuleerden de gebroeders Auguste en Louis Bravais de wiskundige these dat deze spiraalverhoudingen convergeren naar de gulden hoek (ongeveer137,5°), welke direct is afgeleid van de gulden snede.[br]Het laat zich raden waarom Zeising hierover zedig zwijgt. Als auteur van een '[i][b]Nieuwe leer[/b] over de verhoudingen van het menselijk lichaam, ontwikkeld uit een morfologische basiswet [b]die men tot nu toe niet onderkend had, en die de hele natuur en kunst doordringt[/b][/i]' kwam het hem in [b]1854[/b] misschien niet goed uit te vermelden dat 20 jaar voor hem voor hem Fibonacci en de gulden snede in verband werd gebracht met planten.
Op de pagina [url=https://www.geogebra.org/m/h9ywaeeg#material/pxxb2mwy]efficiëntie[/url] lees je meer over recenter onderzoek i.v.m. deze fyllotaxis en de rol die auxines (een groep plantenhormonen) spelen in het streven naar efficiëntie in de plaatsing van zonnebloemzaden.